Uit de Haerlemse boekenmolen

Johannes van der Weiden, Mathé van der Weiden (1890-1963). Sierkunstenaar. Waanders Uitgevers, Zwolle, 2021, 144 pag. Winkelprijs € 24,95.

Eresaluut voor een vader

Wie op zijn vijfentachtigste een boek publiceert over zijn vader die al bijna zestig jaar dood is, moet wel een bijzondere band met hem hebben gehad. Ik vraag de auteur, Johannes van der Weiden (1936) hier naar. ‘Ik had een relatief goede band met mijn vader. Hij was 46 toen ik werd geboren, ik was 27 toen hij in 1963 overleed. Zijn beste tijd als kunstenaar, de periode 1912-1940, heb ik eigenlijk niet meegemaakt. Ik herinnerde me hem vele jaren vooral als een ontgoochelde, vrij gesloten, oude man. Pas in de laatste jaren van zijn leven kreeg ik meer belangstelling voor kunst, maar zijn werk als sierkunstenaar leek me toen volledig uit de tijd. Pas in de jaren tachtig ben ik me echt in zijn leven gaan verdiepen en zijn vakmanschap gaan bewonderen. Pas toen kreeg ik waardering voor zijn werk, pas toen ging ik beseffen hoe moeilijk de naoorlogse jaren voor hem waren geweest en kreeg ik respect voor zijn trouw aan zijn principes. Dit boek heeft een incubatietijd van bijna veertig jaar gehad. Ik ben blij dat ik het zelf heb kunnen afronden. Het is niet alleen een boek over een lang vergeten kunstenaar geworden, maar ook een biografie van mijn vader. Ik heb veel hulp van verschillende familieleden gehad en het is ook een beetje een familieboek geworden.’

Eresaluut voor een vader portretje mathe1911

Mathé van der Weiden (1890-1963)
Mathé van der Weiden werd geboren in 1890 in Haarlem, Zijlstraat 42. Dit pand werd later gesloopt om plaats te maken voor het Hoofdpostkantoor. Het gezin verhuisde in 1891 naar het monumentale woonhuis Gedempte Oude Gracht 42. Mathé werd geboren in een rooms-katholiek gezin dat van vaders en moederskant niet onbemiddeld was. Vader had een groothandel in kruidenierswaren, moeder (Margaretha Maas) was de dochter van een Bloemendaalse boer, die later een hotel exploiteerde en de Eerste Bloemendaalse Omnibusdienst met paardentractie.
Toen Mathé 14 jaar ging hij een vijfjarige dagcursus volgen op de vermaarde Haarlemse School voor Kunstnijverheid, gevestigd in het huidige provinciehuis. Hier werd je in kunstacademische traditie opgeleid tot ‘kunstvakman’, met nadruk op tekenen door oefening en materiaalkennis. De heersende stijl van de school was de ‘Nieuwe Kunst’ een sobere vorm van de Art Nouveau. Decoratief tekenen vond plaats op systematische, geometrische en gestileerde grondslag. De vaak grillige vormgeving van de Art Nouveau zoals in Vlaanderen of Delft en Den Haag gebruikelijk, vond men er een ‘geïmporteerde woekerplant’. De kunst van de vakman moest dienstbaar zijn aan de samenleving, nijverheid of bouwkunst. Het ging om ‘gemeenschapskunst’ en ‘volksverheffing’. Al deze beginselen zou Mathé zijn hele leven trouw blijven.


Eresaluut voor een vader KZOD exlibris
Goede jaren
Na vanaf 1907 praktijkervaring te hebben opgedaan als tekenaar bij de Koninklijke Utrechtsche Fabriek van Zilverwerken C.J. Begeer en vanaf 1909 bij het architectenbureau van Walenkamp, begon Van der Weiden in 1916 een eigen bureau voor ‘sierkunst, affichekunst en boekverluchting’, dat meteen goed liep. Van 1912 tot 1922 was Mathé actief in de ‘Roomsch Katholieke Kring te Haarlem, een vereniging van zo’n 60 ongehuwde katholieke jongemannen met vooral als doel ontwikkeling op cultureel gebied. Mathé was hiervan 5 jaar voorzitter. Hier ontstonden vele contacten die later tot talrijke opdrachten zouden leiden uit het hele land tot het maken van decoraties, affiches, brochures, vaandels, diploma’s, reclames, boek- en tijdschriftillustraties, advertenties, visite-kaartjes, exlibris en allerlei gelegenheidsdrukwerk voor kerken, overheden, bedrijven, scholen en allerlei (katholieke) verenigingen. Hij ontwikkelde zich ook als ‘vrij’ kunstenaar en was van 1916 tot 1948 lid van de Haarlemse Kunstenaarsvereniging Kunst Zij Ons Doel. Hij exposeerde en publiceerde veel.

Ook persoonlijk ging het hem goed. In 1922 trouwde hij met Gerarda van Roozendaal uit Spanbroek met wie hij tussen 1924 en 1940 zes kinderen zou krijgen en een harmonieus gezin zou opbouwen.

 

 

Eresaluut voor een vader lichtweekhaarlem
Crisis, bezetting en ‘vernieuwing’
In de loop van de jaren dertig, het was een tijd van economische crisis, werden de opdrachten minder, het familiebedrijf liep nauwelijks meer, het ‘stamhuis’ Gedempte Oude Gracht 42 moest worden verkocht. Tijdens de bezettingsjaren moesten alle kunstenaars die hun vak wilden uitoefenen zich voor 1 april 1942 aanmelden bij de Kultuurkamer. Van der Weiden meldde zich niet. Hij verloor daarmee zijn laatste opdrachtgevers en werd uitgesloten van de groepstentoonstellingen van Kunst Zij Ons Doel. Hij presenteerde zich vanaf die tijd als tekenleraar, niet als kunstenaar. Na de oorlog, in het najaar van 1945, nam Van der Weiden met 265 Nederlandse kunstenaars die allen geweigerd hadden voor de Kultuurkamer te tekenen, deel aan een tentoonstelling in het Rijksmuseum. Vol energie en ambitie wilde hij weer aan het werk. Maar het liep anders.
Een nieuwe generatie kunstenaars in Haarlem had totaal andere ziens- en werkwijzen dan Van der Weiden. Ze zagen niets in ‘sierkunst’, realisme werd geassocieerd met fascisme (‘fout na de oorlog’), tekenleraren waren eigenlijk geen kunstenaars. Hier openbaarde zich de spanning tussen traditie en vernieuwing, ambacht en kunstenaarschap, kunde en creativiteit en tussen individuele expressie en kunst die dienstbaar en toegankelijk wilde zijn. Het was duidelijk dat Van der Weiden in de hoek zat waar de klappen vielen. In 1948 kwam bij Kunst Zij Ons Doel een reorganisatie waarbij A- en B-leden werden geïntroduceerd. B-leden werden geacht geen professionals te zijn, en eigenlijk geen kunstenaars. Van der Weiden werd aangemerkt als B-lid, en die hadden geen stemrecht en mochten niet aan tentoonstellingen meedoen. Van de 136 leden zegden er 30, onder wie Van der Weiden, hun lidmaatschap op. Van de overigen werden er 64 stemhebbende A-leden en 54 ‘gewone’ B-leden.  Volgens zoon Johannes werd zijn vader door dit conflict ‘onherstelbaar beschadigd’. Uiteindelijk vond hij toch weer een zeker evenwicht en rust, maar de goede jaren waren blijvend voorbij. Mathé overleed 15 jaar later, in 1963, 73 jaar oud.  

Eresaluut voor een vader opterolympiade
 
Leraar en schrijver
Van der Weiden had al vroeg akten gehaald voor lesbevoegdheid tekenen en kunstgeschiedenis aan het middelbaar onderwijs. Vanaf de oprichting in 1922 tot zijn pensionering in 1955 is hij als tekenleraar verbonden geweest aan het Triniteitslyceum. Overdracht van kennis en kunde aan nieuwe generaties vond hij erg belangrijk. Net als Anton Pieck bij het Kennemer Lyceum, verzorgde hij dertig jaar de ‘huisstijl’ van de school, voor briefpapier, jaarboeken, schoolkrant, affiches e.d.
Mathé van der Weiden heeft enorm veel over kunst geschreven in kranten en tijdschriften, in totaal zo’n 750 publicaties, voornamelijk korte besprekingen van tentoonstellingen in Haarlem. In de periode 1917-1926 schreef hij zo’n 190 artikelen in de Nieuwe Haarlemsche Courant, in de jaren 1920-1959 maar liefst 543 stukken in De Maasbode, een landelijke katholieke krant. Alle artikelen zijn door de schrijver ingeplakt in 18 schoolschriften. Het lijkt me wenselijk dat deze schriften worden gedigitaliseerd en voor bestudering beschikbaar gesteld. Een mooi project voor het Noord-Hollands Archief en de Historische Vereniging Haerlem? De schriften geven een prachtig beeld van het rijke kunstleven in Haarlem in de jaren 1917-1959 en met name van de expositiegeschiedenis en de opkomst en ondergang van musea, kunsthandels en galerieën.
 
Veelzijdig kunstenaar
Baanbrekend was Van der Weiden niet, veeleer een traditioneel kunstenaar. Zijn principes waren vakmanschap, stilering en gelijkwaardigheid van toegepaste en vrije kunst. Hij wilde een bijdrage leveren aan de samenleving. Vakmanschap stond bij hem voorop, niet originaliteit. Naast vakman was hij ook ‘vrij’ kunstenaar, leraar en schrijver. Een sociaal betrokken mens ook, vanaf 1930 bestuurslid van Vincentius, die dertig jaar lang wekelijks arme gezinnen bezocht. Een man die iedereen kende in de wereld van kunstenaars, kunsthandelaren en musea. Een man met een enorm netwerk, maar zeker geen netwerker uit eigen belang.  
Na de dood van Van der Weiden is door de erven contact gezocht met het Frans Hals Museum om werk van hem over te dragen aan het museum, maar daar was bij de museumdirectie geen belangstelling voor! Dat was weinig verrassend, want Henk Baard, directeur van het Frans Hals Museum van 1946 tot 1973,  had in 1948 een belangrijke rol gespeeld bij de reorganisatie van de KZOD. Zijn museum moest een Kunstmuseum worden, voor sierkunst was daarin geen plaats. Dat was helemaal geen kunst, vond hij.  
In de jaren tachtig herleefde de belangstelling voor de Nieuwe Kunst en is veel van het werk van Van der Weiden en het grootste deel van zijn archief overgedragen aan het Drents Museum in Assen. De collectie Van der Weiden wordt daar zorgvuldig en liefderijk beheerd en regelmatig betrokken bij tentoonstellingen. ‘Eerherstel’ schrijft zoon Johannes in zijn boek.
Het boek concludeert dat het toegepaste werk van Van der Weiden, dat het meest tijdgebonden leek, uiteindelijk het meest tegen de tijd bestand is gebleken. Sierkunst wordt nu breed gewaardeerd en voor ‘vol’ aangezien.  

Tot slot
Het boek van Johannes van der Weiden heeft een heldere, chronologisch opzet, met enkele tussengevoegde informatieve hoofdstukken over het ‘Museum en School voor Kunstnijverheid’, de ‘Roomsch Katholieke Kring te Haarlem’, de ‘Nederlandsche Kultuurkamer’, ‘Kunst Zij Ons Doel’ en het ‘Haarlems kunstleven 1920-1960’.
In het nawoord vraagt de auteur zich af of hij voldoende afstand heeft kunnen nemen om tot een gefundeerd oordeel te kunnen komen. Ik kan hem verzekeren dat hij daarin zeker is geslaagd.
Enkele bijlagen geven goede informatie. Zo is er een overzicht van de tentoonstellingen waarin werk van Van der Weiden is geëxposeerd en een overzicht van vermeldingen en besprekingen van het werk van Van der Weiden en van overige literatuur. Uiterst nuttig is een register van 350 namen van kunstenaars  waarover Van der Weiden heeft geschreven, met vermelding van de data en het tijdschrift of krant waarin de bijdrage is opgenomen.
Het boek is heel verzorgd uitgegeven. Opvallend is het overvloedige beeldmateriaal van uitstekende kwaliteit. Ik telde ruim 50 pagina’s met uitsluitend beeld en daarnaast nog eens 50 ‘losse’ afbeeldingen.    
De auteur heeft met dit boek een gevarieerd beeld geschetst van het kunstleven in Haarlem in de jaren tussen de wereldoorlogen. Ik heb er veel nieuws in gevonden en  het lezen was een genoegen. Maar helemaal los van Haarlem en Kunst, heeft Johannes van der Weiden met dit boek een prachtig eresaluut voor zijn vader afgegeven. Die zou van dit boek ongetwijfeld hebben genoten.

Wim Cerutti